Kind met depressieve ouder heeft hoog risico op depressie

Kind met depressieve ouder heeft hoog risico op depressie

Kind met depressieve ouder heeft hoog risico op depressie

za, 3 december 2016

Kinderen met een ouder met een depressie of angststoornis hebben een hoog risico zelf depressief te worden of een angststoornis te krijgen. Dat blijkt uit onderzoek van promovendus Petra Havinga van het UMCG. Havinga publiceert hierover op de website van het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Clinical Psychiatry.

 

‘Eerder regel dan uitzondering’, zegt Havinga over de ontwikkeling van een stemmings- of een angststoornis bij kinderen van depressieve of angstige patiënten. Uit eerder onderzoek bleek al dat de verhoogde kans aanwezig is. Maar het was nog niet op deze manier onderzocht in Nederland hoe groot de kans is, en welke kenmerken het hoogste risico voorspellen. Havinga gebruikte voor haar onderzoek de gegevens van de ARIADNE studie. De studie startte in 2000 met 523 jongeren in de leeftijd van 13 tot en met 25 jaar met een ouder die in het verleden is behandeld voor een depressie of angststoornis. Tot op heden wordt ongeveer de helft van de groep, inmiddels volwassen, jongeren uit dit onderzoek gevolgd in hun ontwikkeling.

Zorgwekkend hoog
Uit het onderzoek van Havinga bleek dat de geschatte kans 38 procent is dat een jongere op 20-jarige leeftijd zelf een stemmings- of angststoornis ontwikkelt. Op 35-jarige leeftijd is dit zelfs 65 procent. Havinga noemt de percentages ‘zorgwekkend hoog’.

Voorkomen is beter
Havinga pleit voor preventie bij deze groep jonge mensen. “Bij depressie en angst is preventie erg belangrijk. Eenmaal ontwikkeld, is het risico op herhaling of terugval namelijk erg groot. Voorkomen is dus ook hierbij beter dan behandelen.” Het in beeld brengen van risicogroepen is een eerste belangrijke stap in preventie.

Problemen verminderen
Een functionerende gezinsomgeving kan het risico op het ontwikkelen van problemen verminderen volgens Havinga: “In mijn onderzoek waren dat gezinnen die zich goed kunnen aanpassen aan veranderingen, zoals de ziekte van een van de kinderen, een verhuizing of werkloosheid, en gezinnen waarin de gezinsleden zich onderling betrokken bij elkaar voelen, terwijl er tegelijkertijd ook ruimte is voor het individu.”

Bron: UMCG